(Click to enlarge)

Claude August Crommelin:

Claude August, de auteur van het dagboek was het enige kind van Claude DaniŽl Crommelin, de laatste directeur van de firma DaniŽl Crommelin en Soonen. Hij heeft in zijn korte leven veel gereisd. Eerst als kind met zijn welgestelde ouders in Duitsland, Frankrijk en Zwitserland. Later als student maakte hij met zijn vrienden regelmatig tochten door heel Europa. Hij woonde in Amsterdam en was net als zijn vader en grootvader lid van de Amsterdamse gemeenteraad. De kunsten hadden zijn grote belangstelling. Zijn verzameling aquarellen van jonge Nederlandse kunstenaars was ook in het buitenland bekend. Hij vervulde bestuursfuncties bij de Rijks Academie voor Beeldende Kunsten en het Genootschap Felix Meritis. Ook was hij een enthousiast amateur-fotograaf. In de tuin van Herengracht 132 liet hij door de jonge architect Gosschalk het daar nog aanwezige atelier bouwen. Wat hem heeft doen besluiten op 5 november 1874 een einde aan zijn leven te maken zal wel nooit bekend worden, maar in een In Memoriam wordt gezinspeeld op een neiging tot zwaarmoedigheid. In het dagboek is daarvan niets te bespeuren.

Guus Veenendaal:

De historicus Guus Veenendaal schreef naast veel andere publicaties een standaardwerk over de geschiedenis van de Nederlandse Spoorwegen.Hij ontdekte het getypte verslag in het archief van de Minnesota Historical Society in St. Paul. Later bleek het in deze vorm ook aanwezig in de gemeentearchieven van Amsterdam en Rotterdam. Hoewel de herkomst van deze overgetikte versie niet geheel duidelijk is, bevond het oorspronkelijke manuscript, met de hand geschreven in een aantal schriften, zich waarschijnlijk het laatst bij de naamgenoot en achterneef van de auteur, Claude August Crommelin (1878 - 1965) in Leiden. Diens jongste zoon, die in Amerika woonde, heeft een getypte versie naar het Rotterdamse Archief gestuurd.

Een citaat uit de inleiding van deze uitgave:

ĎWas reizen in het algemeen rond 1865 nog niet echt gewoon, een tocht naar Amerika was in die jaren helemaal uitzonderlijk. Het is dan ook boeiend dat de jonge Crommelin van zijn reis naar en door Amerika en Canada een nauwkeurig reisverslag heeft bijgehouden. Politiek, kerkelijk en geestelijk leven, gevangeniswezen, onderwijs, techniek, openbare financiŽn, arbeidsverhoudingen in het Zuiden, alles trekt zijn aandacht en over alles wil hij zoveel mogelijk weten. En dankzij zijn naam en achtergrond en mogelijk ook door de vele brieven van aanbeveling die hij bij zich had, wordt hij overal verwelkomd en binnengelaten, en kan hij vragen stellen, die een andere vreemdeling misschien niet beantwoord had gekregen. Het Amerika dat Crommelin bezocht bevond zich in een cruciale fase van haar bestaan en was zich juist aan het herstellen van de gevolgen van de ĎCivil Warí, de bloedige burgeroorlog tussen de bestaande United States in het Noorden en de afgescheiden Confederate States in het Zuiden.í


INLEIDING

Claude August Crommelin, de schrijver van dit reisdagboek, werd geboren op 1 maart 1840 in Amsterdam als telg uit een aanzienlijke familie van grote handelslui. De familie Crommelin was oorspronkelijk afkomstig uit de omgeving van Gent en Brugge, vestigde zich daarna in de buurt van Kortrijk en week vanwege de Sapaanse Furie van daar uit naar het Noord-Franse stadje Saint Quentin. Als protestanten niet langer welkom in Frankrijk, emigreerden talrijke leden van de familie tegen het einde van de 16e eeuw en in de 17e eeuw naar het protestantse noorden, de Republiek der Verenigde Nederlanden, waar zij zich in Middelburg, Rotterdam en Haarlem vestigden. Andere takken van de familie bleven in Frankrijk, en weer andere Crommelins trokken naar Noord-Amerika, naar New York City, toen geen Nederlandse kolonie meer maar inmiddels Engels, hoewel nog steeds met een sterk Nederlands karakter. Een van de Amerikaanse Crommelins, DaniŽl (1707-1789), keerde terug naar Amsterdam, waar hij de firma DaniŽl Crommelin & Soonen opzette, een commissionairsbedrijf, dat al gauw groeide naar een veelomvattende organisatie met zowel commissiehandel als activiteiten op het gebied van financiŽn en scheepvaart. Het zal niemand verbazen, gezien DaniŽls afkomst, dat Noord-Amerika, vooral na de onafhankelijkheid van de voormalige Engelse koloniŽn, het voornaamste arbeidsveld van de firma werd. Het bedrijf overleefde de Franse tijd, maar de opeenvolgende economische en financiŽle crises in Amerika, met daarbij het onvermogen van de firmanten zich aan de gewijzigde omstandigheden in het handelsverkeer voldoende aan te passen, veroorzaakten een aanzienlijke vermindering van de resultaten. De achterkleinzoon van de stichter van het bedrijf, Claude DaniŽl Crommelin (1795-1859), gaf in 1854 te kennen dat hij zijn activiteiten op handelsgebied als partner van de firma wenste te beŽindigen, en met zijn dood in 1859 hield de firma DaniŽl Crommelin & Soonen op te bestaan. De financiŽle werkzaamheden werden overgenomen door een ander Amsterdams bedrijf, Tutein Nolthenius & De Haan.

Claude August Crommelin was de zoon van de laatste partner van de handelsfirma, Claude DaniŽl. Hij was enig kind, maar zijn moeder, Alida Maria Wolterbeek (1802-1862), die haar zoon overigens meest Gus noemde, had een dochter Elisabeth Weymar (1825-1902) uit een eerder huwelijk. Deze halfzuster van Aug of Auk, zoals Crommelin in de wandeling door vrienden genoemd werd, trouwde met Julius Hendrick Tutein Nolthenius, familielid van de Tuteinen die het bedrijf van Crommelin hadden voortgezet. Dit paar had een dochter Julie Elisabeth Tutein Nolthenius, die later zou trouwen met Robert DaniŽl Crommelin (1841-1907), officier bij de Koninklijke Marine en vervolgens bankier. Zij zullen later nog een rol spelen in deze inleiding. De jonge Aug Crommelin was een ziekelijk kind, ging daarom maar kort naar school en werd verder thuis onderwezen door een Zwitserse gouverneur. Daarna stuurden zijn ouders hem naar de bekende elitaire kostschool Noortheij, bij Voorschoten, voor een degelijke opleiding die recht gaf op toelating tot een universiteit. Op Noortheij behoorde de oudste zoon van koning Willem III, prins Willem, tot zijn klasgenoten. Blijkbaar had hij geen interesse in de handel, maar zag hij meer in een carriŤre in de rechten en het openbaar bestuur. Hij studeerde rechten aan de Utrechtse Universiteit en promoveerde daar op 28 juni 1865 op een proefschrift over de grondbelasting. Dit boek Ė eigenlijk beter boekje - , Beschouwingen over de grondbelasting, bevat slechts drie hoofdstukken en niet meer dan 114 bladzijden, plus de gebruikelijke stellingen. Hieruit blijkt dat hij goed op de hoogte was van de manier van het heffen van grondbelasting in andere Europese landen, maar ook in de Verenigde Staten. Ondanks zijn blijkbaar wat zwakke gezondheid heeft hij veel gereisd, eerst met zijn welgestelde ouders, later ook met vrienden van Noortheij. In 1856 was hij in Londen en in 1863 bezocht hij Dresden, Wenen en Praag. Na zijn Amerikaanse reis, waarover later meer, vestigde hij zich in Amsterdam als advocaat. In 1867 werd hij gekozen in de Amsterdamse gemeenteraad voor de kiesvereniging Grondwet, Burgerpligt en Amsterdam. In de gemeenteraad was hij onder meer actief in de discussies over de financiŽle verhouding tussen de stad Amsterdam en de Kanaal Maatschappij die het Noordzee Kanaal aanlegde, discussies die nogal hoog liepen. Sinds 1868 had hij ook zitting in de Provinciale Staten van Noord-Holland, maar hij heeft zich daar niet sterk geprofileerd. Op cultureel gebied vervulde hij talrijke functies, zoals lid van de Raad van Toezicht op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten, bestuurslid van de afdeling Letterkunde van Felix Meritis, van Museum Fodor en van het Kinder-Ziekenhuis. In de sociale sfeer was hij commissaris van de Nederlandse Bouwmaatschappij, de Woning-Maatschappij en de Bouwkas, die alle drie betaalbare woningen voor minvermogenden mogelijk wilden maken. Hij behoorde ook tot de oprichters van de Stoomvaart Maatschappij Nederland. Hij was de laatste Crommelin die het grote huis aan de Heerengracht, nr.132, oorspronkelijk bekend als ďDe Profeet JonasĒ bewoonde. Dat pand was in 1788 door zijn overgrootvader Robert DaniŽl Crommelin aangekocht. Het huis brandde helaas af in de oudejaarsnacht van 2007/2008. Een restauratieplan wacht nog op uitvoering. Al zeer vroeg had hij in de tuin van dat huis een laboratorium van gietijzer en glas laten bouwen voor een van zijn hobbyís, de fotografie. Hierin was hij een echte pionier, want fotografie was in die jaren in Nederland nog een betrekkelijk zeldzaam verschijnsel. Ook verzamelde hij aquarellen, een in die tijd nogal nieuwe kunstvorm, en zijn verzameling moet in binnen- en buitenland een zekere bekendheid genoten hebben. Hij bleef ongehuwd, maar had wel een grote belangstelling voor het andere geslacht, zoals blijkt uit een aantal passages in zijn dagboek. Hij bekent zelfs dat hij bijna zijn hart verloor aan een van de aantrekkelijke New Yorkse onderwijzeressen. Volgens vrienden had hij vaak aanvallen van zwaarmoedigheid, die soms zeer ernstig waren. In een van die depressieve buien, misschien mede veroorzaakt door ernstige meningsverschillen in de gemeenteraad over de Kanaal Maatschappij, schoot hij zich in de avond van de 5e november 1874 een kogel door het hoofd in het plantsoen bij de Willemspoort, slechts 34 jaar oud. Zijn lijk werd daar de volgende morgen door een arbeider gevonden. Erfgenaam was zijn halfzuster Betsy Tutein Nolthenius-Weymar.

Reizen was in de negentiende eeuw nog niet gewoon, al begon het reisje langs de Rijn en het verblijf in de Alpen of aan de kust van de Middellandse Zee sterk op te komen. Dit soort toerisme was echter nog voorbehouden aan de gegoede kringen, die het zich konden veroorloven een tijdlang van huis en haard afwezig te zijn. De mindere man had er eenvoudigweg het geld niet voor en had bovendien nooit vakantie. Voor hem betekende niet werken geen inkomen en dus reisde hij niet dan in uiterste noodzaak. Pas tegen het einde van die eeuw kwam ook de middenstand in een positie om zo nu en dan uitstapjes naar het buitenland te kunnen maken. Was reizen in het algemeen rond 1865 nog niet echt gewoon, een tocht naar Amerika was in die jaren helemaal uitzonderlijk. Transatlantisch verkeer was duur, met een beperkt aanbod, weinig comfortabel en soms zelfs niet van gevaar ontbloot. Maar Amerika had wel een grote aantrekkingskracht, niet alleen op reizigers als Crommelin, maar natuurlijk vooral op emigranten, die daar een betere toekomst voor henzelf en voor hun kinderen zochten. Emigranten reisden zo goedkoop mogelijk, in volgepakte zeilschepen, die bij slecht weer en tegenwind soms weken voor de overtocht nodig hadden. Vanuit Nederland waren er in die jaren nog geen regelmatige stoomvaartlijnen, en reizigers die zich niet aan de gevaren van een reis per zeilschip wilden blootstellen moesten dus eerst naar Engeland oversteken, vanwaar de Cunard Line wekelijkse afvaarten per stoomschip aanbood. Crommelin had de middelen om zich een hut op een modern schroefstoomschip, de Java van die Cunard Line, te kunnen veroorloven, wat zijn overtocht een stuk aangenamer gemaakt moet hebben. Maar weinig Nederlanders ondernamen een dergelijke reis voor zaken en nog minder alleen voor hun plezier, en als ze dat deden hielden ze vaak een dagboek bij, dat in sommige gevallen ook later werd gepubliceerd. Een dergelijke reis was toen blijkbaar nog wel zo bijzonder dat er blijkbaar een lezerspubliek voor was. Of Crommelin ook plannen heeft gehad om zijn dagboek later te publiceren, weten we niet; het is in ieder geval niet gebeurd.

Wat hij nu eigenlijk ging doen in Amerika wordt ook niet helemaal duidelijk uit zijn dagboek. Hij spreekt over een congres dat hij zou gaan bijwonen, maar daar is niets van gekomen vanwege andere bezigheden. Wat voor congres dat geweest zou zijn zegt hij niet, dus het blijft gissen. Gezien zijn afkomst en achtergrond is het wel zeker dat hij in ieder geval ook opdrachten had in de financiŽle sfeer. De relaties tussen Nederland en Amerika op dit gebied waren toen al intensief, vooral in de financiering van Amerikaanse spoorwegen vanuit Nederland. Blijkbaar heeft hij in opdracht van Amsterdamse bankiers en commissionairs hier en daar rondgekeken bij maatschappijen waar al Nederlands geld ingestoken was, of waar men mogelijkheden voor Nederlandse deelnemingen vermoedde.

Afgezien van deze mogelijke opdrachten, waren zijn interesses verder velerlei, zoals blijkt uit dit reisdagboek. Politiek, kerkelijk en geestelijk leven, gevangeniswezen, onderwijs, techniek, openbare financiŽn, arbeidsverhoudingen in het Zuiden, alles trekt zijn aandacht en over alles wil hij zoveel mogelijk weten. En dankzij zijn naam en achtergrond en mogelijk ook door de vele brieven van aanbeveling die hij bij zich had, wordt hij overal verwelkomd en binnengelaten, en kan hij vragen stellen, die een andere vreemdeling misschien niet beantwoord zou krijgen. Een vriendelijke en intelligente jongeman als hij, met een goede kennis van het Engels, met genoeg geld op zak, en met een solide achtergrond, was overal blijkbaar hartelijk welkom. Hoewel hij zelf klaagt over zijn verlegenheid, zijn moeite om in gezelschap mee te doen, blijkt daarvan tijdens zijn reis toch weinig. Met jongelieden van zijn stand, mannen en vrouwen, kan hij goed overweg en hij wordt overal gemakkelijk in hun kring opgenomen. Hij heeft veel waardering voor de vrije manier waarop jongelieden met elkaar omgaan, zonder chaperonnes, en zonder dat misbruik van die vrijheid wordt gemaakt.

Crommelins reisgenoot Meder is moeilijk te plaatsen. Hij was nog niet van de partij in Engeland, maar wel aan boord van de Java op weg naar Amerika. Eenmaal daar aangekomen wordt hij zo nu en dan genoemd als reisgenoot, maar even vaak gaat Crommelin zijn eigen weg, al of niet met Amerikaanse vrienden, of met Hendrik Jan de Marez Oyens, een Amsterdamse jongeman uit een andere zakelijke familie. Deze Meder is vermoedelijk Jacques Hessel Meder (*1829), die in 1855 naar Amerika was geŽmigreerd en daar te boek stond als koopman. Het kan zijn dat hij een zakenrelatie was van de firma Daniel Crommelin & Soonen, of diens opvolger, Tutein Nolthenius.

Het Amerika dat Crommelin bezocht bevond zich in een cruciale fase van haar bestaan en was zich juist aan het herstellen van de gevolgen van de ĎCivil War,í de bloedige burgeroorlog tussen de bestaande United States in het Noorden en de afgescheiden Confederate States in het Zuiden. Het Noorden had gewonnen, de Unie was hersteld en de slavernij was afgeschaft. Ondanks het verlies van vele duizenden mensenlevens was het Noorden uit de oorlog gekomen als een moderne, sterk geÔndustrialiseerde natie, vol ondernemingslust, vol mogelijkheden ook. De emigratie uit Europa begon weer op gang te komen, op een grotere schaal dan ooit tevoren, om aan de vraag naar arbeidskrachten te voldoen. Buitenlands kapitaal, dat tijdens de oorlog alleen mondjesmaat kon worden aangetrokken, kwam weer op grote schaal beschikbaar om industrie en spoorwegen te financieren. Die spoorwegen zorgden ervoor dat het land werd opengelegd en zo trokken duizenden naar het Westen om daar hun geluk te beproeven op de fabelachtige landbouwgronden van Illinois en Minnesota.

Het vanouds agrarische Zuiden daarentegen was militair verslagen, ook met verlies van vele duizenden militairen en burgers, en had bovendien grote schade geleden tijdens de oorlog omdat de strijd zich grotendeels had afgespeeld op het grondgebied van de Confederatie. Overal lagen verwoeste plantages, stadjes grotendeels leeggeroofd of afgebrand, en met een op grote schaal zwaar beschadigde infrastructuur door oorlogsgeweld of eenvoudigweg door gebrek aan onderhoud en materialen. En de weinige industrie die er voor het uitbreken van het conflict was geweest, lag in puin en was voorlopig niet in staat het herstel ter hand te nemen. Een groot probleem voor de vooral van grootschalige landbouw afhankelijke zuidelijke staten was een schrijnend gebrek aan arbeidskrachten nu de slavernij was afgeschaft en de voormalige slaven veelal weggelopen. Ook kapitaal was schaars geworden; de vele miljoenen die in obligaties van de Confederatie waren geÔnvesteerd, waren op slag waardeloos geworden, en nieuw kapitaal moest dus uit het Noorden komen op weinig aantrekkelijke voorwaarden.

In Washington DC heersten grote tegenstellingen, tussen het Congres en de in politiek opzicht onhandige president Andrew Johnson, de opvolger van de vermoorde Abraham Lincoln. En binnen dat Congres, ook al had de Republikeinse Partij daar nu een ruime meerderheid, waren er voordurend schermutselingen tussen de radicalen, aangevoerd door afgevaardigden als Thaddeus Stevens, en de meer gematigden. Die radicalen streefden naar wetgeving die de voormalige slaven hun grondrechten zou garanderen, tegen de beweging in het Zuiden in, waar men juist wetten wilde invoeren die aan ex-slaven het kiesrecht zouden ontnemen, de zogenaamde Black Codes. President Johnson, die niet afwijzend stond tegen maatregelen die de rechten van de ex-slaven in de Zuidelijke staten zouden beperken, trachtte door middel van zijn veto de radicale wetten te blokkeren, maar hij werd hierin door het House of Representatives tegengewerkt, en de Civil Rights Act, die iedere burger van de Verenigde Staten, ongeacht zijn huidskleur, het burgerrecht garandeerde, werd op 9 april 1866, over het veto van de President heen, met een tweederde meerderheid door het Congres aangenomen. Na deze nederlaag had Johnson weinig invloed meer op de ĎReconstructioní van het Zuiden, en beheersten de radicalen de politieke arena. Crommelin zag alles, hoorde alles, sprak met mensen van de verschillende kampen, en vormde zo geleidelijk aan zijn eigen mening die hij in zijn dagboek neerschreef.

Het dagboek zoals overgeleverd bestaat uit een getypt verslag van 91 bladzijden. Wie het oorspronkelijk handgeschreven dagboek heeft overgetypt is niet bekend, en wanneer en waar dat gebeurd is evenmin. In Crommelins tijd waren er natuurlijk nog geen schrijfmachines. Drie exemplaren Ė doorslagen - van dit typescript zijn opgespoord: ťťn in de archieven van de Minnesota Historical Society te St. Paul, Minnesota, een ander exemplaar in het Stadsarchief van Rotterdam (Coll. HSS III 4110) en een derde in het Stadsarchief van Amsterdam (Archief Daniel Crommelin & Soonen, nr.654-185). De tekst van alle drie is gelijk, wat natuurlijk bij doorslagen verwacht kan worden. Maar in het Amsterdamse exemplaar staan marginale aantekeningen van R.P.J. Tutein Nolthenius, ingenieur en betrokken bij verschillende Amerikaanse spoorwegen, waaruit blijkt dat hij, in 1930 en inmiddels in Zwitserland wonend, de originele zes met de hand geschreven cahiers heeft gezien en de getypte tekst daarmee heeft vergeleken. Hij schrijft daarbij ook dat die originelen zich bevinden bij Dr. C.A. Crommelin, Ďbeheerder van het Natuurwetenschappelijk Kabinet van de Leidse Universiteit.í Deze andere Claude August Crommelin (1878-1965), was de oudste zoon van Robert DaniŽl Crommelin en Julie Elisabeth Tutein Nolthenius, kleindochter van Betsy Tutein Nolthenius-Weymar, de erfgename van de auteur van het reisdagboek. Deze tweede Claude August Crommelin studeerde natuurwetenschappen in Leiden bij professor Heike Kamerlingh Onnes en werd diens assistent. Later was hij lector aan de Rijksuniversiteit Leiden en adjunct-directeur van het Natuurkundig Laboratorium. Bij het bereiken van het absolute nulpunt door Kamerlingh Onnes in 1908 speelde Crommelin een grote rol, mede door zijn inventiviteit bij het ontwerpen van de benodigde instrumenten. Met hem verdwijnt het spoor van de zes cahiers, waarin zijn oudoom zijn wedervaren in Amerika had vastgelegd. Het is mogelijk dat zijn jongste zoon Claude, die in de Verenigde Staten woonde, na de dood van zijn vader in 1965 de cahiers heeft meegenomen, maar of hij ze ook heeft uitgetypt of dat dat door een ander is gedaan, is niet duidelijk. Wel is zeker dat deze latere Claude Crommelin een doorslag van het typescript aan zijn Rotterdamse vriend Dutilh heeft gezonden en daarmee is de herkomst van de Rotterdamse versie verklaard. Het Amsterdamse exemplaar zal ongetwijfeld door R.P.J. Tutein Nolthenius, lid van de familie ten slotte, zijn verkregen, maar hoe het exemplaar in St. Paul is terechtgekomen blijft onduidelijk. Na de dood van de Amerikaanse Claude Crommelin in 1985 in Ponte Vedra Beach, Florida, zijn alle bij hem aanwezige erfstukken, familieportretten en documenten spoorloos.

Crommelins Nederlands doet eigenlijk verrassend modern aan. Het mist de wijdlopigheid van geschriften van veel van zijn tijdgenoten en zijn observaties en typeringen zijn soms zeer raak en to the point. Het is dan ook niet nodig geweest de tekst te hertalen of op een of andere manier aan te passen. De oorspronkelijke spelling is gehandhaafd en slechts hier en daar was het nodig een vergeten woordje tussen [ ] toe te voegen. Een hedendaagse lezer zal er geen enkele moeite mee hebben. De persoon die de tekst heeft overgetypt had soms blijkbaar wel moeite om namen juist weer te geven; een enkele keer is een naam verhaspeld of zelfs opengelaten. Maar ook Crommelin zelf liet wel eens een naam open, blijkbaar met de bedoeling die later nog in te vullen. Er zijn dagen dat Crommelin weinig of geen aantekeningen gemaakt heeft, soms omdat er waarschijnlijk niet veel te melden was, soms misschien ook omdat hij niet altijd in de gelegenheid was iets op te schrijven, en een enkele keer ook omdat hij ziek was. Daarmee zijn de hiaten in het dagboek, zoals het hier uitgegeven wordt, verklaard. Hij gebruikt nogal eens Engelse woorden en begrippen, die duidelijk genoeg zullen zijn voor de lezer en daarom hier tussen enkele aanhalingstekens geplaatst. Met uitzondering van een enkel geval zijn er daarom geen vertalingen opgenomen. Wanneer mensen sprekend door hem zijn ingevoerd, staan hun uitspraken tussen dubbele aanhalingstekens. Van de talloze door hem ontmoete personen zijn alleen diegenen in de eindnoten geÔdentificeerd die werkelijk van belang zijn. Maar iedereen die hij ontmoette en sprak, jong en oud, belangrijk of onbelangrijk, staat in de biografische index met, waar mogelijk, hun volledige naam en functies. Plaatsnamen zijn wel zoveel mogelijk toegelicht. De indeling van het dagboek in 13 hoofdstukken is door mij aangebracht en vooral gebaseerd op een geografische ordening. De opgenomen kaarten van de hand van Dick van der Spek zullen helpen om de vele reizen in Amerika en Canada van onze schrijver te volgen.