Robert Crommelin

Robert Crommelin

Op dinsdag 17 april 2007 is Robert Crommelin gepromoveerd aan de Universiteit van Leiden op het proefschrift 'Het aanvullen van de rechtsgronden. De betekenis van art. 8:69 Awb in het licht van art. 48 (oud) Rv'.


Click to enlarge.

Er wordt in het burgerlijk procesrecht en het bestuursprocesrecht een onderscheid gemaakt tussen bevoegdheden van de rechter met betrekking tot de feiten en met betrekking tot het recht. In het burgerlijk procesrecht bevatte art. 48 van het oude wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: (oud) Rv) de verplichting voor de rechter om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. In dit artikel werd ook een verbod om de feiten aan te vullen gelezen. De verplichting om de rechtsgronden aan te vullen staat nu in art. 25 Rv. Het verbod om de feiten aan te vullen staat deels in art. 24 Rv. In 1994 is art. 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden. In het tweede lid is bepaald dat de rechter verplicht is om de rechtsgronden aan te vullen. In het derde lid is bepaald dat de rechter bevoegd is om de feiten aan te vullen. Uit de parlementaire geschiedenis van dit artikel blijkt dat deze twee leden gebaseerd dan wel geÔnspireerd zijn op de plicht om de rechtsgronden aan te vullen respectievelijk het verbod om de feiten aan te vullen van art. 48 (oud) Rv.

 

Het onderwerp van het onderzoek was de betekenis van art. 8:69 Awb. Gezien het verband met art. 48 (oud) Rv was de onderzoeksvraag als volgt: wat is de betekenis van art. 8:69 Awb in het licht van art. 48 (oud) Rv? Hiervoor is eerst onderzocht welke procesregels onder art. 48 (oud) Rv bestonden. Vervolgens is bekeken welke procesregels uit art. 8:69 lid 2 en 3 Awb volgen. Naast de betekenis van het tweede en derde lid is ook een (niet uitputtend) onderzoek gedaan naar de betekenis van het eerste lid van art. 8:69 Awb. Dit voor zover art. 8:69 lid 1 Awb van betekenis is voor art. 8:69 lid 2 en 3 Awb.

De onderzoeksvraag is benaderd vanuit het gezichtspunt van de rechter, de rechtshulpverlener of belanghebbende die zich in een zaak geconfronteerd ziet met de toepassing van art. 8:69 Awb en wil weten wat deze bepaling inhoudt en hoe deze werkt in het proces. Het gaat dan om vragen als: wat zijn de mogelijkheden van deze bepaling? Wat zijn de verplichtingen? Wat zijn de beperkingen? Wat kunnen de partijen verwachten en waarmee moeten zij rekening houden?

In dit proefschrift komen de volgende onderwerpen aan de orde: de partij-autonomie, de lijdelijkheid, hoor en wederhoor, ius curia novit, rechtsbescherming als primiare doelstelling van het bestuursprocesrecht, de actieve bestuursrechter, de eis van materiŽle waarheidsvinding en de ongelijkheidscompensatie in het bestuursprocesrecht, het finaliteitsbeginsel in het bestuursprocesrecht, de taak van de burgerlijke rechter en de bestuursrechter, de verplichting om de rechtsgronden aan te vullen, het verbod voor de burgerlijke rechter om de feiten aan te vullen, de bevoegdheid om de feiten aan te vullen voor de bestuursrechter, de herziening van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (waaronder de fundamentele herbezinning), de argumentatieve fuik, de bewijsfuik, de grenzen van de rechtsstrijd in het bestuursprocesrecht en het verbod van reformatio in peius.

De promovendus schrijft voor de verdediging een aantal stellingen. Een paar van de stellingen bij de verdediging waren:

       De verplichting om de rechtsgronden aan te vullen houdt in dat de rechter verplicht is om toepasselijke rechtsnormen die niet door partijen zijn aangevoerd aan te vullen en toch toe te passen.

       Een uitgangspunt van het bestuursproces dient te zijn dat tegenover het gemak waarmee het bestuur via besluiten kan optreden tegen de burgers een procesrecht moet staan waarin de burger met gelijk gemak de rechtmatigheid van deze besluiten kan bestrijden.

       In het bestuursprocesrecht heeft de belanghebbende ad hoc verplichtingen en verantwoordelijkheden gekregen, zoals bij de grenzen van de rechtsstrijd en de fuiken. Het is tijd geworden om deze ad hoc verplichtingen en verantwoordelijkheden een bredere basis te geven bijvoorbeeld in beginselen van behoorlijk burgerschap. Eťn van deze beginselen zou kunnen zijn dat de burger binnen zijn vermogen mede verantwoordelijk is voor een juist besturen.

       Recht is datgene dat door juristen als recht wordt aanvaard.

       Gezien de verwachtingen valt de 21e eeuw toch een beetje tegen.

       Het feit dat iets algemeen bekend is, wil niet zeggen dat het waar is.


Click to enlarge.


Click to enlarge.

Robert Crommelin met paranimfen

broer Walter (rechts) en zwager Evert Zaal (links)

 

 

 

Het proefschrift maakt deel uit de Meijers-reeks van het Meijers Instituut van de Universiteit van Leiden en is uitgegeven door Kluwer (ISBN 9789013046359).

Dit boek is in april boek van de week geweest en zijn stelling over de 21e eeuw is vrijdag 15 juni 2007 opgenomen in het rijtje stellingen in het NRC.